De eigenschappen van gasolie voor verwarming worden vastgelegd in de norm NBN T 52-716. De eigenschappen van gasolie extra worden vastgelegd in de norm NBN EN 590.
De massadichtheid
De massadichtheid is afhankelijk van de samenstelling van de gasolie. Ze wordt uitgedrukt in kg/m³ en veelal bij een temperatuur van 15°C. De waarde ervan wordt immers beïnvloed door de temperatuur. Ze daalt bij hogere temperatuur en stijgt bij lagere temperatuur.
Huisbrandolie geleverd in een particuliere tank kan dus krimpen (volume daalt voor eenzelfde gewicht) als de temperatuur binnenin de tank lager ligt dan deze in de vrachtwagen. Ook het omgekeerde kan zich voordoen, in functie van het seizoen, de locatie van de tank (onder- of bovengronds, enz.) en de temperatuur van het product in de reservoirs van de vrachtwagen.
Om hieraan te verhelpen zijn de depots en de vrachtwagens uitgerust zijn met een temperatuurcompensator. Die temperatuurcompensator corrigeert, zoals zijn naam al doet vermoeden, het volume in functie van de temperatuur. Wanneer de temperatuur van het product “hoger” of “lager” ligt dan 15°C, zorgt de temperatuurcompensator ervoor dat er respectievelijk “meer” of “minder” geleverd wordt bij de klant zodat de klant de exacte hoeveelheid krijgt van het bestelde product.
Het vlampunt
Het vlampunt is de laagste temperatuur waarop men een product moet verwarmen om de ontwikkelde dampen in aanwezigheid van een vlam doen ontvlammen. Het vlampunt bepaalt de veiligheidsgrens voor het gebruik (opslag en behandeling en vervoer) van vloeibare brandstoffen. Met een vlampunt boven de 55°C bestaat er dus principieel geen enkel gevaar bij het gebruik van gasolie.
De viscositeit
De viscositeit van een vloeistof is haar vermogen om meer of minder vloeibaar te zijn of m.a.w meer of minder weerstand te bieden bij het oppompen of doorstromen in een opening of een leiding. De temperatuur heeft een belangrijke invloed op de viscositeit.

Bij hogere temperaturen wordt gasolie vloeibaarder en daalt de viscositeit, het omgekeerde geldt bij lage temperaturen. Bij een verstuivingsbrander speelt de viscositeit, en dus de temperatuur van de gasolie, een belangrijke rol. Een vloeibare brandstof laat een zich gemakkelijker oppompen en laat een betere verstuiving toe. Een fijnere verstuiving verbetert de menging van lucht en gasolie en bevordert aldus de verbranding. Te hoge viscositeit (lage temperatuur) geeft aanleiding tot grotere druppels, leidt tot slechte verbranding, roetvorming, vervuiling van de vuurhaard, verminderde warmteoverdracht en daling van het rendement.
Te hoge viscositeit Juiste viscositeit
Het is daarom aangeraden verstuivingsbranders uit te rusten met een voorverwarming. Deze zorgt ervoor dat de gasolie op een constante en ideale temperatuur (en dus viscositeit) wordt aangevoerd.
Het verwarmingsvermogen
Het verwarmingsvermogen is de hoeveelheid energie die door de volledige verbranding van een kilogram vloeibare of vaste brandstof of per m³ gas vrijkomt. Deze wordt uitgedrukt in kJ of kWh per kg, liter of m³ brandstof.
Men onderscheidt twee verwarmingsvermogens :
- PCS (Pouvoir Calorifique Supérieur of verbrandingswarmte)
- PCI (Pouvoir Calorifique Inférieur of stookwaarde)
PCI + latente verdampingswarmte = PCS
Iedere brandstof bevat een zekere hoeveelheid waterstof die bij verbranding reageert met de zuurstof in de lucht en waterdamp vormt. De vorming van waterdamp vraagt echter energie, die we de latente verdampingswarmte noemen.
Voor de verdamping van 1 kg water heeft men ongeveer 2500 kJ/kg of 2000 kJ/m³ nodig. Deze energie wordt gehaald uit de verbranding van de brandstof. Deze energie gaat verloren met de verbrandingsgassen die doorheen de schoorsteen worden afgevoerd tenzij men de waterdamp laat condenseren en de warmte erin aanwezig probeert terug te winnen (zie condensatieketel). |